TPO Column: Liefdesverdriet (februari 2014)

Waarom schrijft iedereen over angst, pijn, liefde, extase of eenzaamheid? Natuurlijk, deze existentiële gevoelens vormen de essentie van ons bestaan en dus een logische inspiratiebron, maar dat wil niet zeggen dat literatuur een geschikte kunstvorm is om ze in te vangen. Schrijven is verraderlijk, het lijkt de mogelijkheid te geven alles uit te leggen: je kunt voorbeelden of vergelijkingen verzinnen die jouw tekst ondersteunen, je kunt een hoofdpersoon geliefd of gehaat maken, hem laten nadenken over zaken waar de lezer ook over na zou moeten denken, of juist niet. Kortom, taal geeft de mogelijkheid een boodschap over te brengen. Hartstikke leuk, zo’n boodschap, maar onbruikbaar als je wilt vertellen over zaken die geen uitleg nodig hebben. Het is vervelend dat existentie zo lastig te benaderen is; het schrijven dwingt je immers woorden aan het onbeschrijfbare te geven. Voor je het weet draai je om de hete brij heen, ben je te abstract, te lang van stof, te kort door de bocht, of verzand je in pathetisch gezwets. Hoe zorg je dat woorden niet alleen maar beschrijven maar ook ontroeren?

Laatst vertelde iemand dat schrijvers gebruikmaken van trucjes. Een zo’n trucje is: gebruik niet het begrip – bijvoorbeeld ‘eenzaamheid’, ‘verlangen’ of ‘verdriet’ – maar de omschrijving van dat begrip. Voorbeeld: je wilt vertellen dat je personage liefdesverdriet heeft. Je zou kunnen schrijven: ‘Hij had liefdesverdriet.’ Je zou ook kunnen zeggen: ‘Koude gedachten omsloten zijn hart en verpulverden de herinnering aan haar’ (of iets anders van deze strekking). Wellicht komt de tweede versie gevoeliger over, literairder zelfs, maar geraakt word ik niet. Versie twee is niet meer dan het genoemde trucje, en biedt een onbevredigende oplossing voor de beperking van de kunstvorm.

Om voorbij de begrenzing van taal te komen denk ik vaak aan muziek. Muziek is een abstracte kunstvorm die niet het intellect prikkelt maar het hart, en zij helpt mij minder beschrijvend te schrijven. Tekst als muziek: er ontstaat een schrijfvorm die ritmisch en abstract is. Woorden hebben niet enkel het doel informatie te verstrekken, maar worden gebruikt omwille van hun klanken en associaties. Ik hoef niet langer op zoek naar de beschrijving van existentie, de taal geeft er al vorm aan. In poëzie gebeurt dit vaak. In proza veel te weinig.

Wat ik vaak doe om de luiken open te gooien, is een bepaalde schrijfoefening.

Zorg dat je ofwel uitgeslapen bent, of de nacht hebt zien overgaan in de dag.

1.     Zet een kookwekker op 60 minuten.

2.     Neem pen of toetsenbord bij de hand.

3.     Ga schrijven.

De spelregels voor deze oefening zijn simpel:

1.     Je denkt niet na.

2.     Je haalt je pen niet van het papier / je vingers niet van de toetsen

3.     Je schrijft totdat de kookwekker afgaat (of langer).

Automatisch schrijven kan worden vergeleken met improviseren. De schrijver schrijft wat er in hem opkomt zonder na te denken over originaliteit, omschrijvingen of zinsbouw. Deze wijze van schrijven stamt af van het surrealisme. Dadaïsten (en vele anderen) gebruikten de techniek om het onderbewuste aan te spreken en op die manier tot nieuwe en onverwachte teksten te komen:

De meiboom fladdert over het aderwerk van de wereld als nu het breken zou aanbreken.
buiten aan de sponzige leeuwerik hangt de stenige hemel waaruit dooiers en aardbollen vallen.

(Het begin van De drievuldige vogel van Hans Arp, vert: Jan H. Mysjkin)

Wat je ook van dit stukje proza vindt, één ding is zeker: Arp poogde met deze tekst niet het begrip ‘liefdesverdriet’ uit te leggen. Wat mij betreft komt hij er desondanks verrassend dichtbij.