Het schrijfimperium

Dé plek waar schrijvers en personages elkaar ontmoeten in stilte en rumoer, aan de Sint Jansstraat in hartje Amsterdam.

Hier organiseert Annemarie samen met Gijsje Kooter en andere docenten allerlei literaire activiteiten en cursussen creatief schrijven, scenario, proza, zeer kort verhaal, spoken word, poëzie, autobiografie, toneelschrijven én elke nog niet uitgevonden manier van schrijven.

We bieden manuscriptbegeleiding en schrijfonderwijs op geheel onconventionele wijze.

De cursus creatief schrijven bijvoorbeeld is naast een introductie van verschillende schrijftechnieken en invalshoeken ook een zoektocht naar de verzameling woorden en beelden in je hoofd en de betekenis daarvan.

De opdrachten bestaan uit gerichte schrijfoefeningen tijdens de les. Ook krijg je opdrachten mee naar huis, waarvan het resultaat de volgende les besproken wordt. Je schrijft vanuit diverse perspectieven en over verschillende onderwerpen. Tijdens de besprekingen van het werk zal je stijl of onderwerp zich uit het geschreven materiaal destilleren. Je oefent je in het geven en ontvangen van gefundeerde kritiek op het binnen de cursus geschreven werk van jezelf en anderen.

Dit is de technische informatie. Annemarie en Gijsje zijn er vooral van overtuigd dat schrijven een kunstvorm is die niet gebonden is aan regels en richtlijnen en die zich niet makkelijk laat leiden. Steeds zoeken ze naar nieuwe manieren van het overdragen en schuwen het experiment in het geheel niet, maar doen dat altijd in een veilige omgeving en meestal wel gewoon aan een tafel en zo.

Zie voor data en meer informatie: <a href="http://www.schrijfcursusamsterdam.nl/" rel="noopener" target="_blank">Schrijfcursus Amsterdam</a>

Het schrijfimperium

Dé plek waar schrijvers en personages elkaar ontmoeten in stilte en rumoer, aan de Sint Jansstraat in hartje Amsterdam.

Hier organiseert Annemarie samen met Gijsje Kooter en andere docenten allerlei literaire activiteiten en cursussen creatief schrijven, scenario, proza, zeer kort verhaal, spoken word, poëzie, autobiografie, toneelschrijven én elke nog niet uitgevonden manier van schrijven.

We bieden manuscriptbegeleiding en schrijfonderwijs op geheel onconventionele wijze.

De cursus creatief schrijven bijvoorbeeld is naast een introductie van verschillende schrijftechnieken en invalshoeken ook een zoektocht naar de verzameling woorden en beelden in je hoofd en de betekenis daarvan.

De opdrachten bestaan uit gerichte schrijfoefeningen tijdens de les. Ook krijg je opdrachten mee naar huis, waarvan het resultaat de volgende les besproken wordt. Je schrijft vanuit diverse perspectieven en over verschillende onderwerpen. Tijdens de besprekingen van het werk zal je stijl of onderwerp zich uit het geschreven materiaal destilleren. Je oefent je in het geven en ontvangen van gefundeerde kritiek op het binnen de cursus geschreven werk van jezelf en anderen.

Dit is de technische informatie. Annemarie en Gijsje zijn er vooral van overtuigd dat schrijven een kunstvorm is die niet gebonden is aan regels en richtlijnen en die zich niet makkelijk laat leiden. Steeds zoeken ze naar nieuwe manieren van het overdragen en schuwen het experiment in het geheel niet, maar doen dat altijd in een veilige omgeving en meestal wel gewoon aan een tafel en zo.

Zie voor data en meer informatie: Schrijfcursus Amsterdam

Belle kijkt naar buiten, naar het natte asfalt, de kale struiken in de bermen. Aan de rand van het weiland staan koeien verdekt opgesteld, kleine plekjes beschutting dik bevolkt. Het regent al dagen, al dagen is ze onderweg. Eerst naar Parijs, toen naar Molenbeek, daarna bezocht ze de Brusselse hoofdstedelijke regering.

Op de radio klinkt het ANP nieuws: ‘In Brussel is het hoogste dreigingniveau nog steeds van kracht, maar toch gaan vandaag de scholen er weer open.’
   Belle geeft wat extra gas. Ze gaat naar huis. Hard rijden is prettig, het houdt haar wakker. Ze ziet hoe plat het landschap is. Vlak achter de voorbijrazende vangrail doemt een grote boerderij op, een bungalow met een betonnen dak. Je zal hier maar wonen, denkt Belle, ze vraagt zich af wie er eerder was – het huis of de weg. Het landschap plat als een grasmat; plat als een plas water, modderpoel.
   De nieuwslezer zegt: ‘Door velen ouders wordt er echter geprotesteerd, die mogen bij het afzetten van hun kinderen namelijk niet mee de school in. Die opdracht hebben alle scholen in het Brusselse Gewest gekregen. Albert, ben je daar? Hoe is de situatie op de Brusselse schoolpleinen vandaag?’
   ‘Dag Bert, dankjewel. De sfeer op het schoolplein is uiterst grimmig. Natuurlijk zijn veel ouders blij dat hun kinderen weer naar school kunnen, maar de verontwaardiging overheerst. De Brusselaars vinden dat de stad veel eerder in actie had moeten komen in de strijd tegen terrorisme. Wat ik hier om me heen zie, Albert, is dit: woede aan de toegangspoorten van scholen, men snapt niet waarom hen de toegang wordt ontzegd. Volgens velen legt dat het onvermogen van de veiligheidsinstanties bloot.

Belle zet de radio uit. De Renault schiet het huis voorbij. Voor haar strekt zich een lege snelweg uit, praktisch leeg, het asfalt als een lange grijze loper, als route 66, daar is ze nooit geweest. Belle denkt aan alles wat ooit warm was, zoals de zomer, zoals ’s avonds de zon, aan warme zomeravonden; een lome kat achter een raam, een kat die zich uitstrekt, zich opkrult in de vensterbank en in slaap valt. Ze denkt aan lege dingen, zoals aan haar lege maag, aan honger, aan een regenton. Ze denkt aan dingen die donker zijn, aan regenwater, een sneeuwstorm, aan de druppels op het raam, aan dingen die openliggen en stinken zoals verbrande etensresten of schimmelkaas, ze denkt aan dingen die hard zijn zoals een kalashnikov; aan hoe alles overstroomt, aan hoe alles uiteindelijk langzaam overstroomt.

 

Meneer Liu Yiqian schept rijstnoodles in de wok. Kippenbouillon en knoflook en dan bakken op hoog vuur. Vanavond heeft hij zijn bediendes naar huis gestuurd zodat ze in alle rust hun nieuwste aankoop kunnen vieren. Hij heeft Shu San gezegd het washok te verlaten, Ling heeft de bedden opgemaakt, Jiang zal in de tuin blijven vannacht, en Chong en Fen-Fang zijn eindelijk de keuken uit. Iedereen is weg, het huis is stil.
    Chong had flink wat stennis geschopt, zoals altijd als hij onverwacht een avond vrij kreeg. De kok had meneer Liu gedwongen onvriendelijk te zijn. Meneer Liu had net zo lang naar hem geschreeuwd tot de armetierige man jankte om genade, zijn bami’s waren doorgaans niet te vreten en zijn kokstenue stonk naar frituurvet. Chong had zich achter een koekenpan verstopt, de vuile armoedzaaier. Een avond vrij, wie was er nu niet tevreden met een avond vrij?

Meneer Liu hakt kool en bosui fijn. Dan hoort hij de voordeur, stiletto’s op het marmer. Mei Weng, zijn vrouw, zijn licht.
     ‘Ik ben hier,’ zegt meneer Liu, ‘de noodles zijn bijna gaar.’
Zijn vrouw loopt de hal door, niet snel, eerder langzaam. Haar hakken klakken. Ze doet haar mantel uit en hangt hem aan de kapstok. Ze rekt het moment voorafgaand aan hun samenzijn.
     ‘Ben je ongeduldig, lieverd?’ Meneer Liu roert de kool door de noodles. ‘Ga maar vlug kijken dan.’
    Zijn vrouw loopt de salon in, hij hoort het piepen van de deur, het even wegsterven van haar voetstappen, het oorverdovend terugkomen ervan. Rondje lopen, naar buiten kijken, ze verheugt zich en kan niet langer uitstellen. Ze komt dichterbij. Haar adem jachtig door haar keel.
    ‘Zie je haar liggen, lieveling?’ Zijn vrouw staat nu bij de sofa. Ze wil het aanraken. Zich uitkleden.
    De bosui kan erbij. Een scheutje soja. ‘Zie je de lijnen? De kleur van dat blauwe kussen op het rode laken? Haar huid zoveel lichter in het echt dan in de catalogus, vind je niet? Ik heb de lijst in het veilinghuis gelaten, dat ontsierde de boel behoorlijk. Kijk naar haar borsten, Mei Weng.’
    Zijn vrouw kijkt. Ritst haar jurkje open.
    Meneer Liu roert langzaam in zijn pan. ‘Zie je de welving van haar buik? Ze strekt zich uit. Ze geeft zich over, haar ogen zijn gesloten, zie je dat? Ruik je de verf? Modigliani op zijn best.’
    Zijn vrouw zucht. Nu is ze naakt.
    ‘Zal ik naar je toekomen, Mei Weng, wil je dat? Zal ik komen?’ De kippenboullion is verdampt, de noodles drooggekookt. Meneer Liu draait het gas uit en veegt zijn handen aan af aan zijn schort. Geen haast. Ze hebben de hele nacht.

De roem is weer voorbij. Vier dagen lang heb ik me gemengd in discussies over boeken en politiek, gepraat over Europese literatuurstromingen, schrijvers uit alle landen ontmoet, agentschappen achterna gelopen en boekenkramen en universiteiten bezocht, maar ook langos gegeten (Hongaarse lekkernij: gefrituurd brooddeeg met een topping van zure room, kaas en knoflook), in kertsen gehangen (Hongaarse cafe’s in de buitenlucht, waar je whisky drinkt voor 400 HUF, ongeveer € 1,50) en over de Donau uitgekeken, die ’s ochtends schitterde en ’s avonds spookachtig afstak tegen de donkere heuvels. Ik zou er bijna aan wennen.

Een bezoek aan een ander land geeft een prettige balans tussen vluchtigheid en diepgang. Vluchtig, omdat het vertrek vaststaat en de tijd waarin de dingen moeten gebeuren gering is, maar juist die vluchtigheid biedt de mogelijkheid optimaal te genieten en zonder terughoudendheid te kunnen vertellen over wie je bent en wat je komt doen.

Het European First Novel Festival is onderdeel van de jaarlijks terugkerende boekenbeurs in Boedapest. Het festivalterrein ligt aan de Boeda-kant van de stad, daar waar meer ruimte is, de huizen chiquer zijn, de parken goed onderhouden. Zoals elke beurs bestaat ook deze uit tientallen – misschien wel honderden – stands. In dit geval zijn er uitgeverijen te gast, boekwinkels, agency’s, evenementbureaus, schrijvers, vertalers. Bezoekers informeren zich, kopen boeken of proberen hun netwerk te verbreden. Daarnaast worden er colleges gegeven waarin er gepraat wordt over diverse onderwerpen uit het boekenvak. De First Novellists, achttien geselecteerde debutanten uit achttien verschillende landen, namen een prominente plek in de programmering in. Een ideaal podium om jezelf te laten zien, je boek te promoten en iets mee te krijgen van het internationale karakter van de beurs.

Ik had me goed voorbereid. Van tevoren had ik kleineKamermensen-boekjes (‘Roompeople-books’) laten maken, waarin de twee in het Engels vertaalde fragmenten uit Kamermensen gebundeld zijn. Zo konden geïnteresseerden die de Nederlandse taal niet machtig zijn, toch een indruk krijgen van mijn werk. De boekjes werkten bijzonder goed, ik kan het iedereen aanraden – een visitekaartje dat ook iets inhoudelijks biedt. Daarnaast had ik veel steun aan mijn prachtige boekentrailer, gemaakt door filmmaker Sia Hermanides. Sia zelf was ook aanwezig in Boedapest, wat ervoor zorgde dat mijn optredens levendiger werden. Het absurde, duistere karakter van mijn verhalen laat zich soms moeilijk uitleggen, maar is goed terug te vinden in hetgeen Sia heeft gemaakt. Na het tonen van de trailer had iedereen een beeld van mijn boek en vertelde ze over stijl en beeld, en over hoe dat haar als filmmaker inspireert.

Wij, de First Novellists, waren voortdurend op zoek naar overeenkomsten en verschillen tussen onze landen. Belangrijkste overeenkomst was dat vrijwel elke schrijver ontevreden was over het kunstbeleid van hun land. De zogenaamde ‘subsidielanden’ mopperden over het logge subsidiesysteem, over de samenstelling van selectiecommissies en het gevaar van beïnvloeding. De anderen reageerden fel; in veel landen bestaan er nauwelijks kunstsubsidies waardoor hun bestaan als kunstenaar wordt ontkend. Waar zeurden wij over? Kunst is een luxe die zij zich niet kunnen permitteren.

Ik heb nooit eerder beseft hoezeer kunst met politiek te maken heeft. Zonder subsidies zijn de kunsten wellicht vrijer, maar ook armer. Als de positie van kunst binnen een samenleving ondermijnd wordt, kan het zich moeilijker ontwikkelen. Kunst heeft geen bestaansrecht. Mét subsidie daarentegen loopt de kunstenaar de kans (enkel) kunst te maken vanuit praktische overwegingen: hoe groot is de kans dat het kunstproject succes heeft? Hoe kun je zo snel mogelijk zo veel mogelijk mensen bereiken? Hoeveel geld levert het op? Allemaal zaken die juist van ondergeschikt belang zouden moeten zijn. Wij, de First Novellists, vroegen ons af: maakt het ontvangen van subsidie iets uit voor de kwaliteit van kunst?

Interessante discussie toch? Ik weet het moment nog goed dat ik hoorde dat ik een startersbeurs van het Letterenfonds zou ontvangen. Ik moest ervan huilen, ik kon niet geloven dat anderen mijn werk goed genoeg vonden om geld aan uit te geven. De eer, de bevestiging dat ik ‘goed bezig was’, iets moois had gemaakt, maakte mij een gelukkiger mens. Maar dat is niet relevant. De staat betaalt niet om mensen gelukkiger te maken.

Een relevantere vraag zou zijn of de subsidie mijn tweede boek ten goede komt. Wordt mijn roman kwalitatief beter omdat ik een beurs van het Nederlands Letterenfonds heb ontvangen? Een gevaarlijke vraag, straks gooi ik mijn eigen ruiten in! Om eerlijk te zijn: Ik weet het niet. Ik hoop het beste van twee werelden te combineren: autonoom en wild en onaangepast blijven zoals bij het schrijven van Kamermensen, en de startersbeurs te zien als aanmoediging daartoe. Voor mijn collega-schrijvers uit Europa gold geloof ik hetzelfde. Iedereen verklaarde precies het boek te hebben geschreven dat ze in hun hoofd hadden, uit welk land ze ook kwamen, met wat voor overheidssteun, erkenning of succes ook. Geld of geen geld, festival of geen festival, politiek of niet, onze kunst zal bestaan en bruisen, riepen we.

Ik dank Sia, Veronika, Gabor, Paul, de Nederlandse ambassade, het Nederlands Letterenfonds, de organisatie van het festival en alle zeer talentvolle First Novellists voor een geweldig weekend.

Ik ben te gast bij Shut Up and Write!, een ingevlogen initiatief uit Amerika waarbij mensen, voornamelijk meisjes zoals ik, met warrig haar en creatieve geest, bijeen komen om te schrijven. Een uur lang, op eigen laptop, werken we aan manuscript, brief, gedicht of blog. Na het uur is er tijd om de gast van de avond, vragen te stellen over literatuur, debuteren en andere aanverwante zaken. Ik ben vanavond de gast, en ik werk aan deze column.

De avonden worden georganiseerd door Books & Bubbles, een prachtige huiskamerboekhandel op de Jan Pieter Heijestraat in Amsterdam. (Helaas is Books & Bubbles gedwongen haar deuren te sluiten. Niemand begrijpt hoe dat zo ineens heeft kunnen gebeuren. Iets met vergunningen, gemeente en gedoe. Voor boekminnende Amsterdammers is dit een hele schok.) Afijn, het idee van Shut Up and Write! is dat samen schrijven soms leuker is dan alleen. Dus daar zitten we dan, een klein tiental ambitieuze schrijvers aan een tafel met flessen wijn en water, de gezichten aandachtig op ons beeldscherm gericht. Mijn ogen dwalen af, want al ben ik hier vanavond niet als consument maar als serieuze auteur die er van houdt met meerdere mensen aan het werk te zijn, ik kan het niet laten de inhoud van de boekenkasten te scannen, zoals altijd wanneer ik in een boekwinkel ben. Of nee, laat ik eerlijk zijn, ik scan selectief. Onder het stickertje ‘Nieuwe boeken: Jonge schrijvers’, zal toch zeker een exemplaar van Kamermensen staan? Hanna Bervoets, Johan Fretz, en Arjen Lubach staan op platte standaards, zoals altijd. Hun covers laten zich in vol ornaat zien; krachtig, doeltreffend, succesvol. Daaronder een hoop bescheiden ruggen, Willem Bosch, Marjolijn van Heemstra, Alma Matthijssen, Joubert Pignon, Franka Treur en voor dat ik het weet ben ik onderaan de kast.

Carlijn Vis, Maartje Wortel.

Hanteert deze miezerige boekhandel in oud-West soms een alternatief alfabet, eentje die mij onbekend is, eentje zonder G van – laten we zeggen, de Gee?

Waarom staat mijn boek niet altijd in iedere kast van iedere boekwinkel? Waarom doe ik opnieuw niet mee aan die overdreven, narcistische parade van het boekenbal? Waarom krijgt Kamermensen geen tweede druk, mijn recensies waren toch beter dan menig ander debuut?

Dan is het tijd voor vragen. Wat me opvalt is dat de meeste gaan over de samenwerking met een uitgever. Een man oppert dat schrijvers geen uitgeverij nodig zouden moeten hebben, laat staan een redacteur. Hij pleit voor onafhankelijkheid, eigenheid, het kunstwerk zou niet verprutst moeten worden door de hand van een ander. Is iets voor te zeggen. Toch probeer ik te bedenken waarom ik het er niet mee eens ben. In de toneelwereld, waar ik bekend mee ben, is samenwerken vanzelfsprekend: een schrijver schrijft, een regisseur regisseert, een speler speelt en iedereen confirmeert zich naar het eindproduct. Deze radertjes samen zorgen dat het toneel multi-interpretabel is, gelaagd. Zou dit ook voor literatuur gelden?

Langzaam ontdooi ik. Hoe komt het we ons humeur, ons werk en zelfvertrouwen, zo laten leiden door de behoefte aan erkenning? Ja, een boek schrijven kost buitensporig veel inspanning maar daarom hoef ik een avond zoals deze, waar ik te gast ben, de wijn op tafel staat en iedereen aandachtig naar me luistert, toch niet te verpesten? Ik had niet cynisch moeten worden, het maakt me onaardig en onaantrekkelijk.

‘Ego helpt niet bij het optimaliseren van het eindresultaat. Een goed boek moet een nederige auteur hebben,’ zeg ik. Het is geen modieuze gedachte, maar ik ben het er mee eens. Zonder boekenvakkers, geen boeken. Uitgevers zijn er niet op uit om de onafhankelijkheid van een auteur aan te tasten, Books & Bubbles is zoveel meer dan een incomplete boekenkast. En misschien, heel misschien, geven die lege boekenkasten me zelfs wel iets terug. Nederigheid, bijvoorbeeld.

 

 

Annemarie de Geehongaarse vertaling

International Book Festival Budapest wordt dit jaar voor de eenentwintigste keer georganiseerd. Het festival geldt als een erkend event van de internationale boekenwereld en is een van de belangrijke, professionele en intellectuele platforms van de regio. Het Book Festival vindt plaats van 24 tot en met 27 april 2014.In het kader van International Book Festival Budapest wordt, voor de veertiende keer, het European First Novel Festival gehouden. Dit event, een gezamenlijk initiatief van 28 EU-landen, introduceert jonge, getalenteerde auteurs. Nederland wordt dit jaar vertegenwoordigd door Annemarie de Gee.

Annemarie de Gee is theatermaker en schrijfster. Haar boek Kamermensen verscheen in september 2012. Kamermensen is een dromerig, uitzonderlijk fantasierijk verhaalmozaïek, waarin Annemarie de Gee feilloos de balans vindt tussen herkenning en vervreemding.Kijk hier voor meer informatie.

Waarom schrijft iedereen over angst, pijn, liefde, extase of eenzaamheid? Natuurlijk, deze existentiële gevoelens vormen de essentie van ons bestaan en dus een logische inspiratiebron, maar dat wil niet zeggen dat literatuur een geschikte kunstvorm is om ze in te vangen. Schrijven is verraderlijk, het lijkt de mogelijkheid te geven alles uit te leggen: je kunt voorbeelden of vergelijkingen verzinnen die jouw tekst ondersteunen, je kunt een hoofdpersoon geliefd of gehaat maken, hem laten nadenken over zaken waar de lezer ook over na zou moeten denken, of juist niet. Kortom, taal geeft de mogelijkheid een boodschap over te brengen. Hartstikke leuk, zo’n boodschap, maar onbruikbaar als je wilt vertellen over zaken die geen uitleg nodig hebben. Het is vervelend dat existentie zo lastig te benaderen is; het schrijven dwingt je immers woorden aan het onbeschrijfbare te geven. Voor je het weet draai je om de hete brij heen, ben je te abstract, te lang van stof, te kort door de bocht, of verzand je in pathetisch gezwets. Hoe zorg je dat woorden niet alleen maar beschrijven maar ook ontroeren?

Laatst vertelde iemand dat schrijvers gebruikmaken van trucjes. Een zo’n trucje is: gebruik niet het begrip – bijvoorbeeld ‘eenzaamheid’, ‘verlangen’ of ‘verdriet’ – maar de omschrijving van dat begrip. Voorbeeld: je wilt vertellen dat je personage liefdesverdriet heeft. Je zou kunnen schrijven: ‘Hij had liefdesverdriet.’ Je zou ook kunnen zeggen: ‘Koude gedachten omsloten zijn hart en verpulverden de herinnering aan haar’ (of iets anders van deze strekking). Wellicht komt de tweede versie gevoeliger over, literairder zelfs, maar geraakt word ik niet. Versie twee is niet meer dan het genoemde trucje, en biedt een onbevredigende oplossing voor de beperking van de kunstvorm.

Om voorbij de begrenzing van taal te komen denk ik vaak aan muziek. Muziek is een abstracte kunstvorm die niet het intellect prikkelt maar het hart, en zij helpt mij minder beschrijvend te schrijven. Tekst als muziek: er ontstaat een schrijfvorm die ritmisch en abstract is. Woorden hebben niet enkel het doel informatie te verstrekken, maar worden gebruikt omwille van hun klanken en associaties. Ik hoef niet langer op zoek naar de beschrijving van existentie, de taal geeft er al vorm aan. In poëzie gebeurt dit vaak. In proza veel te weinig.

Wat ik vaak doe om de luiken open te gooien, is een bepaalde schrijfoefening.

Zorg dat je ofwel uitgeslapen bent, of de nacht hebt zien overgaan in de dag.

1.     Zet een kookwekker op 60 minuten.

2.     Neem pen of toetsenbord bij de hand.

3.     Ga schrijven.

De spelregels voor deze oefening zijn simpel:

1.     Je denkt niet na.

2.     Je haalt je pen niet van het papier / je vingers niet van de toetsen

3.     Je schrijft totdat de kookwekker afgaat (of langer).

Automatisch schrijven kan worden vergeleken met improviseren. De schrijver schrijft wat er in hem opkomt zonder na te denken over originaliteit, omschrijvingen of zinsbouw. Deze wijze van schrijven stamt af van het surrealisme. Dadaïsten (en vele anderen) gebruikten de techniek om het onderbewuste aan te spreken en op die manier tot nieuwe en onverwachte teksten te komen:

De meiboom fladdert over het aderwerk van de wereld als nu het breken zou aanbreken.
buiten aan de sponzige leeuwerik hangt de stenige hemel waaruit dooiers en aardbollen vallen.

(Het begin van De drievuldige vogel van Hans Arp, vert: Jan H. Mysjkin)

Wat je ook van dit stukje proza vindt, één ding is zeker: Arp poogde met deze tekst niet het begrip ‘liefdesverdriet’ uit te leggen. Wat mij betreft komt hij er desondanks verrassend dichtbij.

‘Het leven van een schrijver is afschuwelijk,’ riep ik uit. Alle woorden leken op elkaar en hadden niet de noodzaak die ik wilde. Moedeloos verliet ik de keukentafel om me op zolder van kant te maken. God, ging dat maar zo makkelijk. Mezelf aan een houten steunbalk hangen, om vervolgens met een schone, frisse lei, opnieuw te beginnen. Boerin worden, daar droomde ik vroeger al van. Geen gehannes met beeldspraken, nooit meer grammaticafouten of stilistisch geneuzel. Ik zou met mijn laarzen door de modder stampen en mijn eigen sperziebonen zaaien. Leven van het land.

Deze opruiende, onrustige gedachten bleven me lastigvallen. Ook toen ik vorige week met H. in een Indiaas restaurant at. Hij vroeg: ‘wat doe jij zoal, in je leven?’ (Jullie moeten weten dat H. een goede vriend is. Dat hij deze vraag stelde, komt omdat hij ver buiten de stad woont. Mensen in de stad vragen nooit waar ik mijn leven mee vul. We vullen ons leven met onzin – voor stedelingen is dat vanzelfsprekend.)

Ik nam een hapje curry. ‘Nou, ik ben eigenlijk best druk. Samen met Y. geef ik schrijfles aan peuters,’ antwoordde ik. ‘Ze moeten Chinese sprookjes moderniseren en dat gaat zo goed dat we volgende week uitvoeringen gepland hebben. Als je die enthousiaste koppies ziet, nou, dan weet je wel waarvoor je het doet. Verder speel ik weer toneel maar dat is op amateurniveau dus onbelangrijk.’ Ik sprak met de voor mij kenmerkende, oncomfortabele manier van formuleren; snel en onrustig. Loze woorden. ‘Ook ben ik bezig met het schrijven van een opera van Rossini. Natuurlijk componeer ik geen échte opera. Nee, op basis van Rossini’s werk zet ik een montage in elkaar, die ik met een Franse zanggroep instudeer.’ Ik aarzelde, terwijl ik H. zou moeten overtuigen dat het er toe deed. ‘Ik ga een nieuw toneelstuk schrijven die het best te vergelijken is met Pinter of Poe. En dan een roman natuurlijk. Dat is zwaar, het liefst zou ik weer een verhalenbundel schrijven want korte verhalen liggen me.’
H. vroeg: ‘Liggen je?’
‘Gewoon, ik hou van de korte spanningsboog,’
‘Waarom schrijf je dan een roman?’
‘Omdat dat zo hoort, nou goed.’
H’s ogen keken me rustig aan. ‘Waar gaat de roman over?’
Ik werd moe. Wist ik veel. Waar gaat het leven over? Over sperziebonen zou het moeten gaan. ‘Over mensen die naar zee willen,’ zei ik.
‘Hoe ver ben je?’ vroeg H.
‘Nog niet zo ver. Ik eh..’ Stotterde. Het tempo vertragen. De woorden visualiseren voordat je ze uitspreekt. Triljoen spraaklessen bonkten in mijn keel. Die klote woorden weerhielden me zoals altijd van de essentie, de ballen, het binnenste. ‘Datgene wat ik wil vertellen laat zich moeilijk vangen. Het gaat over het vasteland, over het onzinnige verlangen het leven uit te breken en alles achter te laten. Over onrust gaat het. Mijn personages zijn op zoek,’ antwoordde ik H. De zinnen verlieten hortend en stotend mijn mond.

Mijn vriend knikte tevreden. Hij liet me zijn butterchicken proeven. Zoete tomatensaus, zachte kip. Dit restaurant was écht goed, in India maakten ze het niet beter.‘Iets mooiers bestaat eigenlijk niet,’ zei ik. De gedachtestroom leek tot rust te komen, voor zolang het duurde. Het bekende gezicht van H, de Indiër die ons bediende, de kip op het metalen bord. Natuurlijk, zo zat het. Boerin of schrijfster, allemaal wroetten we in de modder op zoek naar een glimp. Van een mooi hoofdstuk bijvoorbeeld. Of van een sperzieboon.